Cookies, inclusief cookies van derden, worden gebruikt om de kwaliteit van de inhoud van deze website te verbeteren en aan te passen aan de behoeften van gebruikers. Door deze website te blijven gebruiken, gaat u akkoord met het gebruik van cookies en met eventuele communicatie als u uw contactgegevens invult in een van de formulieren die op de website moeten worden ingevuld.
Blog

Aardappelen telen in een serre

Aardappelen telen in een serre
Het verborgen oogstboek · Serreteelt nr. 09

Aardappelen telen in een serre

Aardappelen belonen de tuinier die onder het oppervlak leert denken. Het zichtbare loof is slechts het ontvangstbewijs: de echte rekening wordt bijgehouden in koele, bedekte grond, waar ondergrondse stengels stolonen vormen en aan hun uiteinden nieuwe knollen groeien.

In een serre kunt u die ondergrondse opbrengst zorgvuldig sturen. U beheert de bodemstructuur, het waterritme, de luchtbeweging, de teelthygiëne en vooral de grondreserve voor het aanaarden. De serre maakt van de aardappel geen warmteminnend gewas. Ze biedt wel een preciezere manier om dit koelseizoengewas vroeger in het Belgische voorjaar te telen, met minder hinder van aanhoudende regen en met meer controle over vocht en bodemtemperatuur.

Dossier 09 · België · Van pootgoed tot voorraadkast
Plaat A · Waar de oogst ontstaat
Boven: loof en hoofdstengels.Onder: wortels, begraven stengels, stolonen en knollen.
Hoofdstuk één · Lees de ondergrondse plant

Een aardappel is een stengelreserve, geen wortel.

Aardappelen worden doorgaans geteeld uit pootknollen en niet uit echt zaad. Na het poten lopen de ogen uit. De scheuten vormen stengels en aan de begraven delen ontstaan slanke, horizontale uitlopers: de stolonen. Aan de uiteinden daarvan groeien de knollen. Dat onderscheid verklaart vrijwel elke goede teelthandeling: geef de plant een beschermde basis, voeg losse grond toe terwijl de stengels groeien en laat jonge knollen nooit in het licht komen.

Aanaarden is dus geen decoratief ophopen van grond. Het houdt de ondergrondse groeizone donker, los en beschermd. Stolonen vertrekken vanuit de stengels, terwijl een degelijke rug voorkomt dat ondiepe knollen groen worden. Vul een kweekzak of hoge kuip daarom niet op de eerste dag tot aan de rand. Houd voldoende schone, luchtige teeltaarde achter de hand om later in beheerste stappen rond de stengels aan te vullen.

Correctie in het teeltboek — mythe en feit.
Mythe: hoe hoger de berg grond, hoe groter de oogst. Feit: bruikbaar grondvolume levert alleen resultaat op in combinatie met gezond loof, gelijkmatig vocht en zuurstof rond de wortels. Een diepe, doorweekte kuip is geen rijke voorraadkamer, maar een uitnodiging voor verstikking en rot.

Een serre verandert het weer rond het loof, maar niet de voorkeur van de aardappel voor een gematigde, relatief koele wortelzone. Het voordeel zit in precisie: de overkapping beperkt regen op het blad, containers kunnen met schoon substraat worden gevuld en ramen voeren vochtige lucht af. Glas warmt echter snel op. Voorkom daarom schommelingen tussen uitgedroogde grond op de middag, een kletsnatte watergift ’s avonds en vochtig, stilstaand loof tijdens de nacht.

Hoofdstuk twee · De beginvoorraad

Begin met pootgoed dat vertrouwen verdient.

Schoon uitgangsmateriaal kopen is de eerste maatregel tegen ziekten, geen overbodige luxe. Consumptieaardappelen uit de supermarkt kunnen met een kiemremmer zijn behandeld en problemen dragen die bij het planten onzichtbaar blijven. Kies waar mogelijk gecertificeerde, ziektevrije pootaardappelen van een betrouwbare leverancier. Daarmee legt u een controleerbare basis voor een kleine, hoogwaardige serre-oogst.

01

Kies de bestemming

Vroeg · vastkokend · bewaren

Voor een compact serreseizoen passen vroege en halfvroege rassen meestal het best. Ze benutten de beschutte start en maken plaats voordat de zomerhitte en ziektedruk toenemen. Kies ook volgens uw keuken: vastkokende aardappelen behouden hun vorm in salades en bij het stomen, terwijl bloemige rassen geschikt zijn voor puree. Vergelijk bij aankoop de gevoeligheid voor Phytophthora. Rasweerbaarheid biedt een nuttige veiligheidsmarge, maar vervangt goede ventilatie en dagelijkse controle niet.

02

Bepaal de pootmaat

Klein heel · groot gedeeld

Plant kleine, stevige pootaardappelen bij voorkeur heel. Grotere exemplaren kunt u met een schoon mes verdelen, op voorwaarde dat elk stuk één tot twee duidelijke ogen draagt. Werk op een schone ondergrond en snijd alleen gezonde knollen. Voor een bescheiden serre is gelijkmatig, heel pootgoed vaak de rustigste en minst foutgevoelige keuze; delen is mogelijk, maar niet noodzakelijk.

03

Laat snijvlakken helen

Enkele droge, luchtige dagen

Leg gesneden stukken enkele dagen in één laag op een droge, luchtige plek buiten direct zonlicht. Wacht tot de snijvlakken zijn ingedroogd en een beschermend huidje hebben gevormd. Poot vers gesneden delen nooit meteen in koude, drassige grond. Dan wordt de opgeslagen energie van de knol verbruikt door bederf, nog voordat wortels en scheuten degelijk op gang komen.

04

Houd een teeltboek bij

Ras · herkomst · datum

Noteer ras, leverancier, pootdatum, eerste opkomst, momenten van aanaarden en eventuele ziektesymptomen. Schrijf bij de oogst ook opbrengst, knolgrootte, smaak en bewaargedrag op. Zo ziet u het volgende seizoen welke combinatie werkelijk presteerde en kunt u één factor gericht verbeteren, in plaats van tegelijk ras, bemesting, watergift en plantafstand te wijzigen.

Hoofdstuk drie · Voor het poten

Voorkiem voor korte kracht, niet voor bleke sprieten.

Voorkiemen betekent dat u pootaardappelen vóór het planten compacte scheuten laat maken. Het is niet verplicht, maar wel nuttig voor een vroeg serregewas en om elke knol vooraf te controleren. Leg het pootgoed met de meeste ogen omhoog in ondiepe bakjes, op een lichte, koele en vorstvrije plaats. Het doel zijn korte, stevige, groen-paarsige scheuten die tijdens het planten blijven zitten, geen lange witte sprieten uit een donkere berging.

01 · Sorteren

Rustend maar stevig

02 · Plaatsen

Ogen omhoog

03 · Wachten

Korte, gekleurde scheuten

04 · Poten

Klaar voor grond

  1. Sorteren Verwijder verschrompelde, zachte, beschimmelde of sterk beschadigde knollen voordat ze de teeltruimte bereiken.
  2. Plaatsen Leg de knollen in één laag zodat lucht kan circuleren. Helder, indirect licht houdt de scheuten compact.
  3. Wachten Enkele stevige scheuten per knol volstaan. Behandel ze voorzichtig: afgebroken kiemen nemen een deel van uw voorsprong weg.
  4. Poten Controleer bij gedeelde knollen of het snijvlak goed is ingedroogd. Poot vervolgens in vochtige, maar nooit verzadigde grond.
Hoofdstuk vier · De beschermende rug

Poot laag. Bouw de grond in stappen op.

Maak in een serrebed een geul van ongeveer 10 cm diep. Leg de pootaardappelen met de scheuten omhoog en houd circa 30–35 cm tussen de planten, waarna u ze bedekt. Begin in een grote, ondoorzichtige kuip met een bescheiden onderste laag substraat in plaats van een volledig gevulde pot. Zo bewaart u wat later niet meer kan worden bijgemaakt: voldoende ruimte om aan te aarden.

Fase 1 · Poten

Bedek de pootknol

Fase 2 · Eerste ophoging

Stengels ongeveer 20–30 cm

Fase 3 · Definitieve rug

Bescherm elke jonge knol

  1. Poten Gebruik losse, voedzame grond die overtollig water vlot afvoert. Verdicht een vast serrebed niet; kies in kuipen een luchtig kwaliteitsmengsel in plaats van zware tuingrond.
  2. Eerste ophoging Trek of strooi voorzichtig grond rond de stengelbasis. Bedek het onderste stengeldeel, maar laat een gezonde kruin bladeren zichtbaar. Beschadig geen wortels of scheuten.
  3. Definitieve rug Herhaal dit tijdens de groei nog een- of tweemaal. De afgewerkte rug houdt alle ontwikkelende knollen donker, redelijk koel en veilig onder het oppervlak.

Plantafstand beïnvloedt ook de maatverdeling. Dicht op elkaar geplaatste knollen geven doorgaans meer, maar kleinere aardappelen; ruimer planten bevordert minder en grotere knollen. Start in een hobbyserre met ongeveer 30–35 cm tussen de planten. Voorzie daarnaast een toegankelijk pad om loof te inspecteren, aan de voet water te geven en aan te aarden zonder de productieve grond vast te lopen.

Hoofdstuk vijf · Rekening van de ruimte

Kies een systeem met grondvolume op overschot.

Niet alleen de zichtbare voetafdruk telt. Bepalend zijn het bruikbare volume losse grond eronder én de lege verticale reserve die u tijdens de groei in een beschermende rug kunt omzetten.

In een ruime serre is een vaste bodemstrook het meest vergevingsgezind en gemakkelijk aan te aarden. In een compact model maken enkele grote zakken of kuipen de onderste teeltlaag productief zonder de volledige vloer vast te leggen. Welke vorm u ook kiest: eis vrije afwatering, ondoorzichtige wanden en een praktische route om de grond water te geven zonder het loof telkens nat te maken.

Voor een doelgericht ingerichte teeltruimte bekijkt u de bruikbare afmetingen en ventilatiemogelijkheden van de Klassieke aluminium kas. De ruime binnenzijde en te openen ramen ondersteunen het nauwkeurige klimaatbeheer dat vroege aardappelen vragen wanneer het Belgische voorjaarsweer snel wisselt.

Teeltvorm Ruimte per plant Aanaardreserve Belangrijkste controle
Serrebed Circa 30–35 cm Open geul Toegang en vruchtwisseling
Kweekzak 40–60 liter, één plant Bovenruimte vrijlaten Droge buitenranden
Ondoorzichtige kuip 40–60 liter, één plant Laag voor laag vullen Afwatering en dichtheid
  • Rij in serregrond. Deze vorm geeft het grootste wortelvolume en maakt aanaarden eenvoudig, omdat u losse grond naar de stengels kunt trekken. Houd een werkpad naast de rij. Laat aardappelen in dezelfde grond niet onmiddellijk volgen door tomaat, paprika of aubergine: deze gewassen behoren eveneens tot de nachtschadefamilie en delen verschillende ziekteproblemen.
  • Kweekzak. Een zak is verplaatsbaar, overzichtelijk en handig op een verharde serrevloer. Reken voor een betrouwbare start op ongeveer 40–60 liter per plant, afhankelijk van ras en vorm van de zak. Controleer op zonnige dagen zorgvuldig het vocht, want de buitenrand warmt op en droogt sneller uit dan het midden.
  • Grote ondoorzichtige kuip. Voorzie royale afvoeropeningen en doorgaans één plant per kuip. Grote potten houden een kleine serre ordelijk en kunnen elk seizoen met schoon substraat worden gevuld. Meerdere pootknollen in één beperkte kuip veroorzaken vooral concurrentie tussen bladeren en wortels; ze garanderen geen grotere oogst en maken de watergift moeilijker.

Een ondoorzichtige kuip van ongeveer 40–60 liter met vrije afwatering is een praktische richtwaarde voor één aardappelplant. De precieze opbrengst hangt af van ras, seizoen en verzorging. Ondoorzichtigheid is functioneel: zodra licht een ontwikkelende knol bereikt, kan die groen worden.

Hoofdstuk zes · Houd de rekening stabiel

Geef de grond water, ververs de lucht, vermijd overdaad.

Vocht

Aardappelen reageren slecht op grote schommelingen tussen droog en drijfnat. Houd de grond gelijkmatig vochtig tijdens de knolzetting en het zwellen, en bouw de watergift af wanneer het loof richting oogst vergeelt. Voel met uw vingers of een handspade hoe diep het vocht is doorgedrongen. Geef grondig water zodra de wortelzone begint op te drogen en laat overtollig water vrij wegvloeien. Een star dagschema is minder betrouwbaar dan deze directe controle.

Voeding

Laat vaste serregrond waar mogelijk beoordelen en werk vóór het planten rijpe compost plus een evenwichtige organische meststof in volgens bodem- of productadvies. Aardappelen hebben voeding nodig, waaronder een evenwichtige beschikbaarheid van kalium en andere nutriënten. Overmaat aan stikstof bouwt echter vooral een uitbundig bladerdek op en kan een harmonieuze knolvorming tegenwerken. Voed beheerst; een grote, slappe plant is geen bewijs van een rijke ondergrondse oogst.

Ventilatie en hitte

Open deur en dakramen vroeg op heldere dagen, voordat de serre benauwd wordt. Een automatische raamopener helpt, maar vervangt uw dagelijkse controleronde niet. Gebruik bij uitzonderlijke warmte eventueel een tijdelijke, lichte scherming aan de zonnigste zijde. Aardappelen horen niet in een permanent hete, vochtige zomerkas: bewegende lucht en een gematigde wortelzone zijn waardevoller dan maximale warmte. Houd de serre evenmin voortdurend donker; scherm alleen de scherpste hittepiek af.

Droog blad

Gebruik druppelbevloeiing, een gieter zonder broes of een slang met lage druk aan de grond. Vermijd bovengronds water geven, zeker laat op de dag, omdat nat loof tijdens de nacht ziekten in de hand werkt. Ventileer ook na een watergift zodat condens verdwijnt. Verwijder vergeelde onderste bladeren en houd gereedschap, trays en looppaden schoon, zonder onnodig gezond loof weg te nemen.

Een kwaliteitsserre is het nuttigst wanneer elk detail zo’n rustige routine ondersteunt. Bekijk de Klassieke aluminium kas bij het plannen van ventilatie, scherming, werkruimte en voldoende plaats voor voedselgewassen. Voor een doordachte indeling van bedden, potten en looppaden biedt ook onze de indeling, beplanting en het onderhoud van een Bloomcabin kas een praktisch vertrekpunt voor containers, waterpunten en opeenvolgende seizoensteelten.

Hoofdstuk zeven · Risicoregister

Grijp vroeg in, voor verborgen opbrengst verborgen verlies wordt.

Een serre beschut het gewas tegen regen, maar kan vocht rond het loof vasthouden wanneer ventilatie en watergift niet kloppen. Controleer planten tijdens actief weer dagelijks of minstens meermaals per week. Bekijk bladonderzijden, stengels ter hoogte van de grond en het oppervlak van het substraat. Stel bij een afwijking eerst de juiste vraag: gaat het om water, hitte, voeding, vraat of een ziekte? Gerichte observatie is waardevoller dan een spectaculaire noodmaatregel na een week verwaarlozing.

Dossier 01 · Aardappelziekte

Waterige, snel uitbreidende donkere vlekken

Aardappelziekte door Phytophthora infestans blijft in België een ernstig aandachtspunt. Bij vochtig weer kan op aangetast blad ook wit schimmelpluis verschijnen. Begin met gecertificeerd pootgoed, vermijd water op het loof en ventileer consequent. Isoleer en verwijder duidelijk verdacht materiaal onmiddellijk; leg het niet op de composthoop. Volg lokale waarschuwingen en controleer nabijgelegen tomaten, omdat beide gewassen gevoelig kunnen zijn.

Dossier 02 · Zwarte stengelvoet of pootrot

Zwakke opkomst, donkere stengelbasis, instorting

Koude, verzadigde grond en aangetast pootgoed zijn klassieke oorzaken van een mislukte start. Gebruik gezond uitgangsmateriaal, laat snijvlakken goed indrogen en poot niet in natte, koude aarde. Vermijd schade aan jonge scheuten. Trek een slappe plant met een donkere stengelvoet of rottende moederknol samen met wat omliggende grond weg en houd haar uit de buurt van gezonde planten.

Dossier 03 · Schurft

Ruwe, kurkachtige plekken op stevige knollen

Schurft is in belangrijke mate een bodemgebonden probleem. Schoon pootgoed, vers containersubstraat, een doordachte raskeuze en vruchtwisseling wegen zwaarder dan een late reddingspoging. Vermijd dat aardappelen jaar na jaar dezelfde beperkte serregrond bezetten. Noteer de aantasting na de oogst, zodat u het volgende teeltplan bewust kunt aanpassen.

Dossier 04 · Plagen

Vraat, eipakketjes en gekrulde jonge bladeren

Controleer op bladluizen en Coloradokevers, vooral aan de bladonderzijde. Plakkerig of gekruld jong blad kan op bladluizen wijzen; oranje eipakketjes, larven en duidelijke vraat passen bij de Coloradokever. Verwijder kevers, larven en eieren bij een kleine aanplant met de hand. Blijf goed ventileren: de serre potdicht sluiten uit angst voor insecten veroorzaakt stilstaande, vochtige lucht en creëert een groter klimaatprobleem.

Dossier 05 · Hitte en wisselende watergift

Scheuren, misvorming, holtes en ongelijke maat

Deze afwijkingen zijn vaak een verslag van groeistress en niet van één specifieke plaag. Vooral knolzetting en zwelling zijn gevoelig. Ventileer vroeger, temper uitzonderlijke middagzon en geef rustig en diep water aan de voet. Laat een container niet kurkdroog worden om hem daarna plots volledig te doorweken.

Dossier 06 · Groene knollen

Groene schil of blootliggende bovenkant

Groen worden toont aan dat licht de knol heeft bereikt en gaat samen met een ongewenste toename van glycoalkaloïden. Dek zichtbare knollen onmiddellijk af met schone, losse grond en houd ook de oogst uit direct licht. Snijd een kleine groene plek ruim weg wanneer de aardappel verder gaaf is. Eet sterk vergroende, bittere of sterk uitgelopen knollen niet.

Hoofdstuk acht · De rekening afsluiten

Oogst in fasen en laat de schil afrijpen.

Nieuwe aardappelen en bewaaraardappelen zijn twee verschillende eindpunten van hetzelfde seizoen. Nieuwe aardappelen worden jong gerooid, hebben een tere schil en gaan snel naar de keuken. Bewaarknollen blijven langer in de grond, totdat hun schil steviger is en het loof natuurlijk terugvalt. Forceer die tweede oogst niet: een goed gezette schil maakt deel uit van het resultaat en helpt beschadiging tijdens het rooien en bewaren beperken.

1 · Na zeven à acht weken

Eerste nieuwe aardappelen

2 · Loof valt terug

Laat rijpheid zichzelf aankondigen

3 · Schil laten zetten

Donker, droog en luchtig

4 · Naar de voorraadplaats

Bewaar koel, donker en geventileerd

  1. Eerste nieuwe aardappelen Bij vroege rassen kunt u soms vanaf zeven à acht weken na het poten voorzichtig proefrooien, afhankelijk van groei en temperatuur. Voel wanneer de plant bloeit of kort daarna langs één zijde van de rug naar enkele jonge knollen. Neem alleen wat u die week eet, herstel de grond en laat de rest verder groeien.
  2. Terugvallend loof Wacht voor bewaring tot het loof vergeelt en afsterft. Verminder de watergift wanneer de plant natuurlijk terugvalt. Kies een droge dag en maak de grond voorzichtig los met uw handen of een handvork. Een container kunt u op een zeil leegmaken. Voorkom snij- en stootschade en laat de knollen niet in de zon liggen.
  3. Narijpen Laat ongewassen knollen onder een donkere, luchtige overkapping verder opdrogen en hun schil zetten. Direct zonlicht is geen droogrek voor aardappelen. Sorteer doorgesneden, gekneusde, zachte of anderszins beschadigde exemplaren uit en gebruik geschikte knollen daarvan eerst in de keuken.
  4. Voorraadplaats Borstel droge aarde voorzichtig af, maar was bewaaraardappelen niet. Kies een donkere, koele, vorstvrije plek met luchtcirculatie, bijvoorbeeld een geschikte kelder of onverwarmde berging. De serre zelf wordt doorgaans te warm en te licht. Controleer de voorraad geregeld en verwijder zachte, rottende of sterk uitgelopen exemplaren voordat ze andere knollen aantasten.
Hoofdstuk negen · Belgische serreplanning

Gebruik de serre om de tussenseizoenen te benutten.

In België ligt de sterkste plaats voor serre-aardappelen in het vroege voorjaar en de vroege zomer. Bestel pootgoed in januari of februari en laat het in februari of maart voorkiemen op een lichte, koele plek. Poot doorgaans in maart of april, zodra de bodem kruimelig, voldoende opgewarmd en niet koud-nat is. Bescherm tijdens een koude periode tegen nachtvorst, maar sluit de serre overdag niet hermetisch. Aanaarden, ventileren en gelijkmatig water geven volgen vooral in mei en juni; vroege rassen kunnen vervolgens in juni of juli worden geoogst.

Beschouw een serre niet als een uitnodiging om aardappelen door elk seizoen te dwingen. In de donkerste wintermaanden ontbreekt licht, terwijl de wortelzone tijdens een hete zomer te warm kan worden. Een vroege teelt is vaak de elegantste benutting van beschutte ruimte. Na de oogst maakt u plaats voor bijvoorbeeld sla, basilicum of een ander gewas dat niet nauw verwant is. Zo blijft de serre productief zonder het natuurlijke ritme van de aardappel te negeren.

Nota over vruchtwisseling

Teel na aardappelen niet meteen opnieuw aardappel, tomaat, paprika of aubergine in exact dezelfde grond. Deze nachtschades delen verschillende ziekterisico’s. Wissel liever af met bladgewassen, peulgewassen of een groenbemester en voeg waar nodig rijpe organische stof toe. Heeft u slechts één klein bed, gebruik dan een ruime container of kweekzak. Verspreid gezond gebruikt substraat later bij sierbeplanting of in een niet-verwant tuindeel, maar gebruik het niet opnieuw voor aardappelen of tomaten.

Voor een serre die meerdere seizoenen overzichtelijk ondersteunt, bekijkt u de Klassieke aluminium kas. Wilt u bedden, oogstbakken, water en een productief centraal pad logisch organiseren, dan biedt de de indeling, beplanting en het onderhoud van een Bloomcabin kas praktische inspiratie om de beschikbare ruimte rond uw dagelijkse werkwijze op te bouwen.

Laatste seizoensregel: serre-aardappelen gedijen bij regelmaat, niet bij intensiteit. De beste oogst komt zelden uit de heetste kas, de rijkste bemesting of een haastig opgehoogde grondberg. Ze ontstaat door dagelijks kijken, tijdig ventileren en consequent water geven.

Veelgestelde vragen over serre-aardappelen

Vragen van aan de oppottafel.

Kan ik het hele jaar aardappelen telen in een serre?

Gewoonlijk niet zonder verregaande klimaat- en lichtsturing. Aardappelen blijven een koelseizoengewas. Gebruik een Belgische hobbyserre om vroeger te starten, het gewas tegen overvloedige regen te beschermen en een vroege oogst te behalen. Kies tijdens de heetste zomerperiode liever een passend warmteminnend gewas en vermijd dat de wortelzone langdurig oververhit raakt.

Hoeveel aardappelplanten passen in een kuip van 40 liter?

Eén plant is het duidelijkste en betrouwbaarste uitgangspunt. Een ondoorzichtige kuip van ongeveer 40–60 liter met goede afvoer biedt één plant bruikbaar grondvolume en ruimte om later aan te aarden. Te veel pootknollen concentreren het loof, bemoeilijken het vochtbeheer en leveren vaak veel kleine knollen op in plaats van een indrukwekkende totaaloogst.

Kan ik consumptieaardappelen uit de supermarkt als pootgoed gebruiken?

Dat is af te raden. Consumptieaardappelen kunnen behandeld zijn om kieming te remmen en hun gezondheidstoestand is geen garantie voor verdere teelt. Gecertificeerde, ziektevrije pootaardappelen van een betrouwbare leverancier geven de meest controleerbare start en verkleinen het risico dat u onzichtbare problemen in de beperkte serregrond introduceert.

Hoe vaak moet ik serre-aardappelen water geven?

Geef water volgens de toestand van de wortelzone, niet uitsluitend volgens de kalender. Controleer met uw vingers of een handspade hoe diep de grond opdroogt en geef vervolgens rustig en grondig water aan de basis. Tijdens knolzetting en zwelling is gelijkmatig vocht bijzonder belangrijk. Kuipen vragen bij helder weer vaker aandacht, maar mogen nooit permanent verzadigd blijven. Vrije afwatering blijft essentieel.

Waarom worden mijn aardappelen in de serre groen?

De knollen zijn aan licht blootgesteld doordat de rug te laag werd of openbarstte. Dek zichtbare exemplaren onmiddellijk af en houd geoogste aardappelen donker. Snijd een kleine groene plek ruim weg als de rest gaaf is, maar eet sterk groene, bittere of sterk uitgelopen knollen niet.

Open de onderste teeltlaag

Plan ruimte voor de oogst onder het loof.

Een sterke serre biedt serieuze moestuiniers meer dan een beschutte plaats voor bladeren en stengels. Ze vormt een geordend klimaat voor gewassen waarvan de opbrengst uit het zicht groeit: met diepe bedden, ruime ondoorzichtige kuipen, een heldere waterroute, voldoende ventilatie en een rustig looppad waarlangs u de bodem dagelijks kunt lezen.

Klassieke aluminium kasKlassieke aluminium kas
45% BETERE PRIJS WANNEER U ONLINE KOOPT
Handelen op internet is handig en winstgevend
Vraag ons
Neem contact met ons op
Telefoon:
E-mail:
Dit E-mail adres wordt beschermd tegen spambots. U moet JavaScript geactiveerd hebben om het te kunnen zien.
Reg.nr.:
38944924
Adres:
Jernbanegade 4 1, 5000 Odense C, Denmark
Sociale media
Volg ons op Instagram, Facebook en Twitter. Daar vind je het laatste nieuws en de beste aanbiedingen van Bloomcabin.
X
Heeft u vragen en wilt u dat wij u terugbellen?
+32