Cookies, inclusief cookies van derden, worden gebruikt om de kwaliteit van de inhoud van deze website te verbeteren en aan te passen aan de behoeften van gebruikers. Door deze website te blijven gebruiken, gaat u akkoord met het gebruik van cookies en met eventuele communicatie als u uw contactgegevens invult in een van de formulieren die op de website moeten worden ingevuld.
Blog

Verbeteren bodemvochtsensoren de serrebewatering?

Verbeteren bodemvochtsensoren de serrebewatering?

Serrebewatering met bodemvochtsensoren

Een vaste gietkalender houdt geen rekening met hoe vochtig de grond in de serre werkelijk is. Een bodemvochtsensor kan helpen om het gietmoment beter in te schatten, maar de waarde hangt af van de meetplek, de diepte en het type grond of potgrond. Wie de sensor meteen aan een automatische regeling koppelt, loopt het risico dat één plaatselijke meting de hele gietbeurt bepaalt. Vergelijk de uitlezing daarom eerst met de grond, kalibreer in uw eigen teeltmedium en test de regeling voordat u erop vertrouwt.

Orangerie in een tuin

01

Een bodemvochtsensor meet maar één plek

Een bodemvochtsensor meet de vochttoestand rond het meetelement, op één plek en doorgaans op één diepte. Hij meet dus niet rechtstreeks hoeveel water er in elk bed, elke pot of de hele serre beschikbaar is. Binnen hetzelfde teeltvak kunnen de bovenlaag en de wortelzone verschillen, net als de grond naast een druppelaar en de grond enkele centimeters verderop. Ook planten nemen water niet allemaal uit dezelfde bodemlaag op. Een getal op het display is daarom een lokale aanwijzing, geen volledig beeld van de serre. Dat onderscheid is belangrijk als u één probe aan een automatische gietbeurt wilt koppelen.

Het voordeel zit vooral in het volgen van veranderingen: u ziet of een plek na het gieten natter wordt en hoe snel de waarde daarna daalt. Een tijdschakelaar giet op vaste momenten, terwijl een controller met sensor een ingestelde drempel kan gebruiken. Dat werkt alleen als de meetplek representatief is en sensor en controller correct op elkaar zijn afgestemd. Teken daarom eerst de bedden, potten en afzonderlijk bevloeide delen in. De klassieke aluminiumserre is volgens de productinformatie beschikbaar in uitvoeringen van 3,77 tot 28,08 m². Die oppervlakte helpt bij het schetsen van een plan, maar zegt op zichzelf niets over de vochttoestand van een bepaald bed.

Meetprincipes en weergegeven waarden verschillen

Sensoren verschillen in wat ze meten. Een weerstandssensor kijkt naar de elektrische geleiding tussen meetpunten; behalve vocht kunnen ook opgeloste zouten en het contact met de bodem de waarde beïnvloeden. Een capacitieve sensor leidt het vocht af uit elektrische eigenschappen van grond of substraat, maar een getoond percentage is daardoor nog geen universeel vochtpercentage. Een tensiometer volgt de zuigspanning van het bodemwater en toont dus een andere grootheid. Bij een hogere zuigspanning kunnen planten doorgaans moeilijker water opnemen. Getallen van verschillende sensortypes zijn daarom niet zomaar onderling vergelijkbaar. De meetmethode bepaalt hoe u de waarde moet interpreteren.

Lees vóór aankoop de instructies voor sensor en controller. Controleer voor welk medium de sensor bedoeld is, welke eenheid op het scherm verschijnt en of u een ruwe of gekalibreerde waarde ziet. Een weergave van 60% betekent niet automatisch dat elk type grond 60 procent water bevat; sommige toestellen gebruiken een relatieve schaal. Kijk ook na of de sensor met uw controller kan communiceren. Plant u bijvoorbeeld een aluminium muurkas, verkrijgbaar in uitvoeringen van 3,69 tot 14,34 m², dan blijft de keuze van het meetprincipe een afzonderlijke afweging. Baseer die op de grond of potgrond waarin u gaat telen en op de betekenis van de weergegeven waarde, niet op de serremaat.

02

Plaats de sensor in een representatieve wortelzone

Kies eerst welk teeltvak de sensor moet vertegenwoordigen. Een meetpunt is pas bruikbaar voor een gietbeslissing als de planten er onder vergelijkbare omstandigheden groeien als de rest van dat vak. Kijk daarom naar het gewas, de groeifase en het medium, en naar de plaatsen waar u water geeft. Een handig bereikbaar plekje is niet noodzakelijk een goede meetplek. De sensor moet informatie geven over de actieve wortelzone van de planten waarvoor u de bewatering wilt regelen. Bepaal dus eerst welke planten en welk deel van het bed u wilt volgen; kies daarna, binnen de plaatsingsvoorschriften van het toestel, de geschikte positie en diepte.

Vergelijk mogelijke meetplekken binnen dat vak. Recht naast een druppelaar krijgt u doorgaans een ander beeld dan aan de rand van een bed; op een laag punt kan de meting evenmin representatief zijn. Plaats het meetelement dus niet precies in de natste plek, maar ook niet aan de droge buitenrand. Bij sterk verschillende teeltvakken zijn afzonderlijke meetpunten nuttiger dan één meting voor de hele ruimte. Tekent u de bedden in een Limited Edition-aluminiumserre uit, dan kunt u de meetpunten meteen bij de bijbehorende irrigatiezones aanduiden. Dit model wordt vermeld met oppervlaktes van 3,77 tot 18,84 m², maar de ligging van de bedden bepaalt waar u meet.

Meetdiepte en bodemcontact bepalen de meting

De meetzone moet op een diepte zitten die past bij de wortels die u wilt volgen. De bovenste centimeters kunnen snel uitdrogen terwijl het daaronder nog vochtig is. Een te diep geplaatste probe kan dan een natte laag meten die weinig zegt over de grond rond de actieve wortels. Er bestaat geen universele insteekdiepte voor alle gewassen, bedden en sensoren. Volg de plaatsingsinstructies van het sensormodel en stem de meetdiepte af op de teelt en het medium. Gebruik een sensor in potten of bakken alleen als de fabrikant die toepassing vermeldt; een probe voor de volle grond is niet automatisch geschikt voor elk substraat.

Ook het contact met de bodem telt. Een holte rond het meetelement of grond die na het plaatsen los is achtergebleven, kan de uitlezing beïnvloeden. Bereid de plaatsing voor volgens de handleiding en zorg dat het volledige meetgedeelte op de voorgeschreven manier contact maakt met het medium. Gebruik bij herhaalde metingen dezelfde diepte en noteer de plaats, zodat u waarden op verschillende momenten kunt vergelijken. Houd bij de indeling van een serre in T-vorm ook rekening met de bereikbaarheid van de meetpunten: u moet de plaatsing kunnen controleren zonder die telkens te veranderen. De vermelde oppervlaktes van dit model lopen van 16,52 tot 30 m².

Orangerie, tweede aanzicht

03

Kalibreer in uw eigen bodem of potgrond

Kalibreren begint met het medium waarin u de sensor echt gebruikt, niet met een standaardwaarde van een ander toestel of een andere bodem. Plaats de sensor in een representatief vak en geef water zoals u dat normaal doet. Vergelijk de uitlezing met de toestand van de grond op dezelfde diepte: bijvoorbeeld nadat het gietwater in de grond is getrokken en later, wanneer u normaal opnieuw zou controleren. Een meting vlak na het gieten, pal naast een druppelaar, is geen goede weergave van het hele bed. Herhaal de vergelijking tijdens gewone gietcycli; u hoeft de grond niet uitzonderlijk nat of droog te maken om een referentiepunt te krijgen.

Noteer bij elke controle de sensorwaarde, de plek, de toestand van de grond en of er net water is gegeven. Zo ziet u welke waarden in uw eigen teelt overeenkomen met voldoende vocht en wanneer u opnieuw wilt controleren of gieten. Volg de instructies van de sensorfabrikant als het toestel een specifieke kalibratieprocedure heeft; niet elke controller biedt daarvoor een menu aan. Voor een proefvak in een piramidekas Bloomcabin Oasis gebruikt u eveneens de grond of potgrond waarin u daadwerkelijk gaat telen. Dit model wordt aangeboden met oppervlaktes van 5,53 tot 18,9 m². Een referentiewaarde uit een andere serre is niet zonder meer over te nemen, ook niet als de serre even groot is.

Vergelijk de uitlezing met een controle in de grond

Controleer de grond op het moment waarop de sensor aangeeft dat u mogelijk moet gieten. Kijk niet alleen naar het oppervlak: neem op de meetdiepte een klein beetje grond uit de buurt van de probe en voel of die droog, licht vochtig of erg nat is. Die indruk is kwalitatief en verschilt per bodemsoort, maar wordt nuttiger als u telkens op dezelfde manier en op dezelfde diepte controleert. Vergelijk waar mogelijk ook een tweede plek in het teeltvak. Zo merkt u of de sensor een representatieve zone meet of alleen de toestand vlak bij het meetelement weergeeft.

Schrijf de manuele controle naast de uitlezing op. Als de waarden herhaaldelijk niet overeenkomen met wat u in de grond aantreft, kijk dan eerst naar de plaats, de diepte, het bodemcontact en een eventuele instelling voor het bodemtype. Controleer ook of de sensor bedoeld is voor uw medium. Een verschil kan daarnaast wijzen op ongelijke waterverdeling; pas de drempel niet meteen aan om een plaatselijke fout te verbergen. Vergelijkt u serre-indelingen, zoals de Limited Edition-serre met ingebouwde opslagruimte, bepaal dan in welk teeltvak u die controle zult uitvoeren. De vermelde oppervlaktes van 5,52 tot 28,08 m² vervangen geen plan waarop de sensor en zijn bijbehorende controleplek zijn aangeduid.

04

Stel meetdrempels per teeltzone in

Eén drempel is niet vanzelf geschikt voor alle planten in de serre. Gewassen kunnen verschillen in worteldiepte en waterbehoefte, terwijl een potgrondmengsel anders reageert dan grond in een bed. Ook jonge planten en volwassen planten kunnen een ander patroon hebben. Deel de teelt daarom, waar mogelijk, op in vakken met gelijkaardige planten, grond en gietbehoefte. Meetwaarden uit een vak met andere omstandigheden zijn niet zonder meer bruikbaar voor de rest. Als u maar één sensor hebt, behandel die dan als informatie over de plek waar hij staat en controleer de andere vakken apart.

Stel de drempel pas in nadat u de meetwaarde met de grondtoestand hebt vergeleken. Controleer vervolgens of de controller het bijbehorende vak afzonderlijk kan aansturen. Als één regeling meerdere vakken tegelijk bedient, leidt de meting in één vak immers tot een gietopdracht voor al die vakken. Een drempel die past bij het droge vak kan dan ongeschikt zijn voor planten in een natter vak. Bij de indeling van een Bloomcabin Prestige-serre kunt u daarom zowel de meetzones als de afzonderlijke irrigatiekringen op het plan aangeven. Dit model is vermeld in uitvoeringen van 3,77 tot 28,08 m²; het aantal zinvolle zones volgt uit uw teeltindeling, niet uit een vaste oppervlakteverhouding.

Testperiode voor een automatische regeling

Een controller kan snel reageren op een drempel, maar een schommeling rond die grens is niet altijd een reden om opnieuw te gieten. Als de start- en stopwaarde te dicht bij elkaar liggen, kan de regeling herhaaldelijk schakelen. Kijk daarom in de handleiding of u afzonderlijke start- en stopwaarden, een wachttijd of andere passende instellingen kunt gebruiken. Welke mogelijkheden er zijn, verschilt per toestel. Stel geen waarden in op basis van een algemene tabel zonder ze met uw grond en sensor te vergelijken. Houd tijdens de test zowel het schakelmoment als de gietbeurt in het oog: een bruikbaar meetsignaal moet nog vertaald worden naar een passend gietmoment en een passende hoeveelheid water.

Volg de regeling eerst terwijl u de werking kunt controleren. Vergelijk de opdracht van de controller met de vochtwaarde en kijk na een gewone gietbeurt of de grond in het bedoelde vak effectief natter wordt. Een sensor bevestigt niet vanzelf dat er water uit de leiding is gekomen. Zorg daarom dat u kunt ingrijpen als de regeling niet start of blijft doorgaan, en houd de meetwaarden tijdens die testperiode bij. Plant u meerdere teeltvakken in een ruimtelijke orangerie, test dan de werking voor de afzonderlijke zones die u wilt aansturen. De vermelde oppervlaktes van dit model lopen van 47 tot 70 m²; één geslaagde test op één meetplek zegt nog niets over alle andere vakken.

Buitenzicht op een serre in T-vorm

05

Volg trends en controleer de sensor geregeld

Een reeks metingen vertelt meer dan één losse waarde. Noteer de datum, uitlezing, gietbeurt en manuele controle; vermeld er eventueel bij welke planten in het vak staan en of de omstandigheden opvallend veranderd zijn. Zo ziet u of de grond na het gieten natter wordt, hoe de waarde daarna evolueert en of één meetplek structureel afwijkt van een andere. Gebruik het logboek om veranderingen te herkennen, niet om elk verschil als een probleem te beschouwen. Een tijdelijk afwijkende waarde kan ontstaan doordat u net water hebt gegeven of op een andere plaats hebt gecontroleerd.

Herbekijk de plaatsing wanneer het teeltplan verandert, planten groter worden, potten verplaatst worden of u de grond of potgrond vervangt. De wortels kunnen intussen een andere zone benutten dan toen u de sensor plaatste. Controleer de probe en eventuele kabel volgens de onderhoudsinstructies van de fabrikant, en reinig onderdelen alleen zoals daarin staat. Een plots gewijzigde uitlezing vraagt eerst om een vergelijking met de grond en een controle van de plaatsing. Als de meetomstandigheden veranderd zijn, moet u mogelijk opnieuw vergelijken en kalibreren voordat u dezelfde drempel blijft gebruiken.

Wanneer handmatig gieten volstaat

Een sensor is niet voor elke serre noodzakelijk. Als u een klein aantal teeltvakken hebt, de planten vergelijkbare omstandigheden delen en u geregeld zelf kunt controleren, kan een bewuste gietroutine eenvoudiger zijn. Een sensor voegt vooral informatie toe als de grond op vaste momenten controleren lastig is, als vochtwaarden tussen zones verschillen of als u een regeling wilt testen. Zonder goede plaatsing, een passende sensor en een bruikbare controlewaarde kan automatisering extra onzekerheid opleveren. Kijk dus eerst welk probleem u wilt oplossen: een vast tijdstip, een lastig te beoordelen bodem of een verschil tussen afzonderlijke bedden.

Maak bij die afweging onderscheid tussen meten en automatisch regelen. Een sensor kan nuttig zijn om het uitdrogen van een vak te volgen, ook als u zelf blijft gieten. Geeft de uitlezing herhaaldelijk dezelfde bruikbare aanwijzing als uw controle in de grond, dan kunt u beslissen of die extra informatie voldoende is of dat u ook een controller nodig hebt. Er is geen vast aantal testdagen dat voor iedere serre volstaat; u moet gewone gietcycli kunnen vergelijken. Blijven andere vakken duidelijk anders reageren, dan is uitbreiding met meetpunten zinvoller dan één sensor voor alles te gebruiken. Zo kiest u alleen de mate van automatisering die bij uw teelt en uw eigen controleroutine past.

Veelgestelde vragen

Kan één bodemvochtsensor de volledige serre aansturen?

Meestal niet op een betrouwbare manier: de sensor meet alleen rond één plek en op één diepte. Bij verschillende teeltvakken, bodems of gietzones kunnen de waarden uiteenlopen. Gebruik aparte meetpunten waar dat nodig is, of controleer andere zones zelf voordat u de hele serre automatisch laat begieten.

Hoe diep moet ik een bodemvochtsensor plaatsen?

Plaats de meetzone op de diepte van de wortels die u wilt volgen. Er bestaat geen universele diepte voor alle gewassen, substraten en sensoren. Volg de instructies van het toestel en controleer of de meetzone goed contact maakt met de grond.

Moet ik de sensor opnieuw controleren als ik van potgrond of grond wissel?

Ja. Een andere grondsoort of potgrond kan de meetwaarde beïnvloeden. Vergelijk de uitlezing opnieuw met een controle in het medium waarin u de sensor gebruikt en pas de interpretatie of instellingen aan volgens de handleiding.

Kan ik voor alle planten dezelfde drempel instellen?

Niet zomaar. Planten kunnen verschillen in worteldiepte en waterbehoefte, en potgrond droogt anders uit dan een bed in de volle grond. Deel de serre waar mogelijk op in zones met gelijkaardige planten en omstandigheden.

Waarom lijkt de grond droog terwijl de sensor een natte waarde toont?

De probe kan te diep zitten, dicht bij een druppelaar staan of een andere plek meten dan waar u controleert. Ook het type sensor en de instellingen spelen mee. Controleer de grond op de meetdiepte en kijk na of sensor, medium en controller correct op elkaar zijn afgestemd.

Bodemvochtsensoren kunnen de serrebewatering verfijnen doordat ze veranderingen op een vaste meetplek zichtbaar maken. Hun waarde hangt af van een goede plaatsing, een kalibratie in uw eigen teeltmedium en een vergelijking met de grond zelf. Pas wanneer de metingen herhaaldelijk overeenkomen met wat u in de wortelzone aantreft, hebt u een bruikbare basis voor een automatische controller. De sensor neemt de controle dus niet over, maar kan u wel helpen om gerichter te beslissen wanneer u giet.

45% BETERE PRIJS WANNEER U ONLINE KOOPT
Handelen op internet is handig en winstgevend
Vraag ons
Neem contact met ons op
Telefoon:
E-mail:
Dit E-mail adres wordt beschermd tegen spambots. U moet JavaScript geactiveerd hebben om het te kunnen zien.
Reg.nr.:
38944924
Adres:
Thriges Plads 6, 5000 Odense C, Denmark
Sociale media
Volg ons op Instagram, Facebook en Twitter. Daar vind je het laatste nieuws en de beste aanbiedingen van Bloomcabin.
X
Heeft u vragen en wilt u dat wij u terugbellen?
+32
−
✖